Column Rie Strikken | Och was ik maar …

STADSKANAAL

Onkel Heini was mijn lievelingsoom. Ten tijde van het Wirtschaftswunder reden zijn dorpsgenoten in Opel Kadetts en Volkswagen Käfer. Voor zijn succesvolle bedrijf doorkruiste Onkel Heini het Emsland in een Volvo Amazon.

Rond mijn tiende jaar vergezelde ik hem vaak. Ik genoot in de wagen van het functionele dashboard met zijn dansende naalden in de klokjes, de luxe leren bekleding en het wisselende landschap. Wij maakten tussenstops bij musea en restaurants, allemaal heel bijzonder voor een gewoon meisje uit Valthermond.

Aan het eind van zo’n dag begroette tante Stina haar man bij thuiskomst met een zoen in zijn nek en sloot mij vast aan haar boezem en wiegde mij zacht in haar armen. Haar heerlijke geur determineerde ik jaren later als Fidji, nog altijd mijn favoriete luchtje. Langs de rozenhaag huppelde ze voor ons uit. Via de vestibule met het hoogpolige crèmekleurige tapijt met rozenmotief ging het naar de eetkamer. De tafel was gedekt met een wit damast tafelkleed waarop het Hutschenreuther rozenservies stond. Terwijl zij het diner opdiende bespeelde onkel Heini nog even zijn orgel, totdat het “zu Tisch” (aan tafel!) klonk.

Tegen die tijd schoof ook Heinz-Wilhelm, het twaalfjarige zoontje van tante Stina haar enige broer die levend uit de oorlog teruggekeerd was, aan. Tante Stina kookte fantastisch en zong het hoogste lied mee met de orgelmuziek. Zij en Onkel Heini hadden alles wat hun hartje begeerde. Nou ja, bijna alles. Over het gemis van de gesneuvelde broers werd nooit gesproken, over de ongewenste kinderloosheid, en daarmee het ontbreken van een bedrijfsopvolger, zoveel te meer. In de dorpswinkels deelde iedereen in de vreugde van tante Stina als ze met haar leen-kind pronkte en mij bedolf onder alle mogelijke cadeautjes. “En Heinz-Wilhelm is ook zo dol op zijn Hollandse vriendinnetje…”

De koppelpoging lag er zó dik bovenop dat ik me zo lang ik mij kon herinneren bewust was van mijn opdracht. Pas in de pubertijd heb ik me daaraan onttrokken. Tot aan hun dood bleef ik even goed hun lieveling. Telkens weer benadrukten ze dat ik zó welkom zou zijn geweest in het gezin en in het bedrijf.

Mijn Duitse moeder deed haar stinkende best om zich aan te passen aan haar Hollandse schoonfamilie en buren. De sporen en littekens van de oorlog waren nog vers en de Veenkoloniale mentaliteit verschilde wel heel erg van die in het gemoedelijke zanddorp in het Emsland waar ze was opgegroeid. Gelukkig kon ze regelmatig 'thuiskomen' bij Onkel Heini en tante Stina. Op haar beurt leerde zij haar broer en schoonzus dat de familie mocht rouwen. “In Holland doen ze aan dodenherdenking en Bevrijdingsdag. Wij moeten zoveel gesneuvelde dorpsjongens niet doodzwijgen. Onze Bernd was soldaat tegen wil en dank. Een kind van 17! één van de 300.000 kinderen die verdronken in gezonken onderzeeërs!”

Het zou tot 1985 duren totdat met de historische rede van president Richard von Weizsäcker 8 mei “Tag der Befreiung werd”.

Heinz-Wilhelm is getrouwd met een buurmeisje. Voor hun kinderen waren Onkel Heini en Tante Stina lieve bonus-grootouders. Vanuit een villa met oprijlaan bestiert Heinz-Wilhelm tegenwoordig het geërfde imperium. Dat doet hij goed. Onderweg naar ons Duitse chalet rijden MijnBetereHelft en ik langs zijn landgoed. Er staat vaak een Volvo XC90 op de oprit. Vandaag staat naast deze bolide mijn droomauto, een Volvo XC40.

Ik verzucht: “Och was ik maar …”