De verhalen van Groningen: einde van een tijdperk

ALTEVEER - In deze rubriek vertelt De Verhalen van Groningen iedere maand een verhaal uit jouw regio. Benieuwd naar verhalen uit andere streken? Kijk dan eens op deverhalenvangroningen.nl/regio

Het dorp Alteveer was begin 20ste eeuw een jong veendorp met hier en daar een plukje woningen. Van het feit dat één van de schamele onderkomens uit die tijd zou eindigen als een uniek museumstuk, had nog niemand een vermoeden.

In Tange, gelegen op een zandrug in het veen, werden rond 1850 al huizen gebouwd; de eerste huizen van Alteveer verrezen zo’n dertig jaar later rond Poortmanswijk. Alteveer ontwikkelde zich aanvankelijk als een veenkolonie langs het Alteveerkanaal, maar langzaamaan zou er tussen Tange en Poortmanswijk een lintdorp ontstaan, langs de huidige Beumeesweg.

Alteveer is van oorsprong dus een vervenersdorp. Het veengebied van Alteveer lag ten zuiden van het dorp en ten noorden van de Veenhuizer venen; in het westen begrensd door de in 1650 vastgestelde grens met Pekela, de Barkela-sloot. Eerst waren de Veenhuizer venen ontgonnen. Het veen van Alteveer is op topografische kaarten van rond 1850 nog niet eens te vinden. Doordat het gebied vanuit het Stadskanaal ontgonnen werd, duurde het tot het einde van de 19e eeuw voor het Alteveer Veen 'aan snee' kwam.

Aardappelzetmeel en strooisel

Het vers opgerichte Waterschap Alteveer voorzag in een kanalisatieplan. Het Alteveerkanaal werd aangelegd en kreeg een aansluiting op het Boerendiep, het parallelkanaal van het Stadskanaal, zodat de afvoer van turf geregeld was. Later zou het Alteveerkanaal doorgetrokken worden naar Grootstukken, gelegen boven Alteveer, waarvoor de Beumeesweg doorsneden zou worden.

De bewoners van Alteveer verdienden hun loon in de vervening, maar ook steeds meer in de landbouw. Landbouwers verenigden zich en richtten in 1911 de Coöperatieve Aardappelzetmeelfabriek Alteveer op. Een antwoord op de macht van Willem Albert Scholten, die met zijn Vereniging van Aardappelzetmeelfabrikanten Eureka de dienst uitmaakte in de regio. Nadat men eind 19e eeuw in Duitsland had ontdekt dat turfstrooisel een heel goed alternatief was voor stro, om stalvloeren mee te bestrooien, verrezen er in de verveningsgebieden turfstrooiselfabrieken. Ook Alteveer kreeg zijn fabriek en dus wat werkgelegenheid.

Ongeschreven regel

Vanaf de start van de ontginning waren er (meer) plaggenhutten in het landschap verschenen, bewoond door veenarbeiders die met de vervening, dus het werk, mee verhuisden. Vaak werd de woning opgebouwd tussen zonsondergang en zonsopkomst. Een ongeschreven regel was dat het nieuwe ‘huis’ mocht blijven staan als de schoorsteen ’s morgens rookte.

Een plaggenhut was niet meer dan een uitgegraven kuil met een aangestampte bodem. De kuilwanden waren de muren en het dak begon op grondhoogte en was bedekt met (heide)plaggen, die in de omgeving werden gestoken. Vaak creatief aangevuld met materialen als karton en vodden. De leefomstandigheden waren slecht. De hut was slecht te verwarmen, vochtig en ook ongedierte maakte gebruik van de woning. Buiten was een eenvoudige waterput, vaak van turven gestapeld en sanitaire voorzieningen bestonden uit niet meer dan een gat in de grond.

Woningwet 1901

Terwijl rond Alteveer nog plaggenhutten verrezen, dienden de ministers van Binnenlandse Zaken, Financiën en Justitie, Goeman Borgesius, Pierson en Cort van der Linden, een wetsontwerp voor de eerste Woningwet in. In juni 1901 werd deze gepubliceerd en in augustus 1902 trad de wet in werking. Met deze wet kreeg de overheid een vinger in de pap op het terrein van volkshuisvesting. Zo konden woningbouwverenigingen aanspraak maken op financiële steun; moesten nieuw te bouwen woningen aan strengere eisen voldoen en moest de gemeente daarop toezien. Er mocht zonder bouwvergunning niets meer gebouwd worden en woningen konden ‘onbewoonbaar’ worden verklaard. De wet bepaalde ook dat niemand meer in een plaggenhut mocht wonen, maar zolang er geen vervangende woonruimte aangeboden kon worden, stond de overheid als handhaver machteloos.

Museumstuk

Elders in Westerwolde werden begin 20ste eeuw het Mussel Aa-, Ruiten Aa- en Boelo Tijdenskanaal gerealiseerd, waardoor de grondwaterstand daalde en meer gebieden beschikbaar kwamen voor landbouw. De situatie voor een deel van de inwoners verbeterde inderdaad, vooral voor diegenen die zich als agrariër wisten te vestigden. Maar de ontginning was geen tovermiddel dat in één keer een einde maakte aan de armoede.

Buiten de oude dorpen ontstonden buurtschappen waar arbeiders en de allerarmsten zich vestigden. Zoals De Pallert bij Bourtange, Barlage bij Vlagtwedde en de Huttenstreek (Tange) tussen Onstwedde en Alteveer. Een mengelmoes van kleine arbeiderswoningen zonder sanitair, vaak enkelsteens éénkamerwoningen, maar ook keten en plaggenhutten, waar grote gezinnen in moesten wonen.

Het duurde nog tot ver in de 20ste eeuw voor alle plaggenhutten uit het Westerwoldse landschap waren verdwenen.

Alteveer had de eer geschiedenis te schrijven met de plaggenhut van Fennechien Wiekens (Kok). Haar hut stond ergens tussen de Esweg en de Dwarsstukkerweg en is na haar dood in 1941 verplaatst naar het Openluchtmuseum in Arnhem.

En daarmee kwam een toch wel bijzonder einde aan het tijdperk van de plaggenhut.

Cora Westerink