Column | Omdenken

STADSKANAAL MijnBetereHelft heeft een sprookjeshuwelijk: als hij thuiskomt zit de heks op de bank. Dus het kon wel wat velen. Maar na drie maanden thuis werken kan ik, van mijn kant, stiekem smachten naar een prins op het witte paard die me meeneemt.

Maakt niet uit waar naartoe. Als het maar heel ver weg is.

Volgens mij is het wederzijds. Zeker weet ik het niet, want wij zijn niet zo goed in diepgaande gesprekken. Over het algemeen hebben we aan een woord of een blik genoeg. Onder het mom van ‘trainen voor de Tocht om de Noord’, die niet eens doorgaat dit jaar, vertrekt MijnBetereHelft de laatste tijd ’s avonds na het eten voor een wandeling. Zo tegen het donker komt hij weer thuis, elke dag een beetje later dus.

Geeft mij mooi de gelegenheid om de muziek van Antony en de Johnsons, waar hij zo van gruwelt, eens even lekker keihard door de kamer te laten schallen.

Bij het geluid van de sleutel in het deurslot maakt mijn hart in stilte een sprongetje.

Als MijnBetereHelft de kamer binnenkomt begroet hij me met een schalkse blik en een smokje, alsof ie me voor het eerst die dag ziet. Ik zet de muziek uit en in harmonie praten wij over waar zijn wandelroute vandaag naartoe ging en waarmee ik me tijdens zijn afwezigheid heb vermaakt. We kijken nog even Op1 of zo en dan is het bedtijd.

Begin april schreef ik nog ‘Eerst maar eens overleven, die corona. En dan zien we verder’. Dat meende ik echt. Gelukkig is corona niet te dichtbij gekomen en durven we weer een beetje te plannen. Onze vakantie naar Oostenrijk gaat niet door, maar een weekje kamperen in september lijkt te gaan lukken. De caravan hebben we al vast op het grasveld gezet. Kunnen de kleinkinderen een beetje proefkamperen.

Gisteren heeft MijnBetereHelft het vehikel helemaal alleen geïnstalleerd. Meestal doen we dat met zijn tweeën, zeker de luifel, want dat is toch een gewurg.

Buurman-boer had het solo-spektakel de hele middag gadegeslagen, al de keren dat hij voor ons huis langs reed met zijn tractor en sproeimachine.

Toen het spul stond haalde MijnBetereHelft zichzelf een biertje uit de caravankoelkast en installeerde zich op een campingstoel onder de luifel. Hij zat goed en wel toen buurman-boer weer voorbijkwam. MijnBetereHelft gebaarde, met de bierfles omhoog ‘ook één?’. Buurman-boer minderde vaart. Hij stopte, zwaaide de deur van de tractor open, sprong eraf en ging, op gepaste afstand, bij MijnBetereHelft aan het campingtafeltje zitten. Terwijl MijnBetereHelft opstond om een flesje uit de koelkast te halen, vroeg buurman-boer schaterlachend: ‘Wat nou den jong, het ze die der uut zet? Proost! Op álle vraauwluu!’

Rie Strikken