Hemd van het lijf met Daniël Wolgen uit Stadskanaal

STADSKANAAL Medewerker Rie Strikken van de leukste krant in de regio vraagt elke week een inwoner van de Kanaalstreek en Westerwolde het hemd van het lijf.

In aflevering 118 is het de beurt aan dichter, rocker Daniël Wolgen uit Stadskanaal

Hij is geen prater, zegt Daniël Wolgen, ergens halverwege een bijzonder prettig gesprek, waarin ernst en gekheid elkaar afwisselen. Uw verslaggever fronst, enigszins verbaasd, de wenkbrauwen.

Daniël vervolgt: “Ja, zo een beetje een eind weg lullen, dat wil wel. Maar over emoties praten … dat is moeilijk. Ik leer het steeds beter. Dat moet ook wel, want anders loop ik erin vast. Daar ben ik in het verleden al vaak mee in de problemen gekomen. Ik heb een opleiding IW gedaan, allerlei gesprekstechnieken geleerd en hulp gehad bij het leren omgaan met gevoelens en erover leren praten, het bij mezelf te houden en niet direct invullen wat een ander denkt of vindt. Ouder worden helpt ook en ik heb natuurlijk Heidi. Al vijfentwintig jaar mijn houvast. Met ups en downs. Maar we zitten nu in onze mooiste periode.”

Uw verslaggever zegt dat ze zijn dichtbundel ‘Poezieboudel van Wolgen’ heeft gelezen. En of hij die wil signeren, nu we er toch zijn. Het is geschreven in het Knoalsters en geeft een indrukwekkende inkijk in zijn zielenroerselen.

Wanneer ben je geboren?

“Op 9 juni 1969. In het Refaja. Wij woonden in Musselkanaal. Ik heb een jongere zus. Mijn vader was opperman, later meubelspuiter. Mijn moeder was eerst thuis, toen mijn zus en ik groter werden ging ze bij AVEBE schoonmaken.

Twaalf ambachten

Ik wou graag vrachtwagenchauffeur worden, maar dat werd niks. Tekenen aan de kunstacademie in Zwolle wou ik ook wel, dan moest ik van huis, maar ik had last van heimwee. Zodoende werd het, na de basisschool aan de Kerkstraat, LTS Automechanica.

Als ik mijn diploma had dan mocht ik van mijn ouders van school af. Maar toen bleek dat ik nog leerplichtig was en nog een jaar naar school moest. Ik voelde mij besodemieterd. Bij de opleiding spuiten die ik moest doen heb ik er met de pet naar gegooid. Ik werd van school gestuurd en moest dat jaar vol maken op het Vormingscentrum. Ik heb hele lieve ouders, maar mijn pa was onverbiddelijk: “Doe blifst nait bie de keet! Goa mor aan t waark!” Hij regelde voor mij werk bij een stukadoor.

Uitlaatklep

Van binnen broeide er bij mij van alles in de puberteit, maar het was net of er een deksel op zat. Ik kon er geen lucht aan geven. Schrijven, dichten en muziek werden mijn uitlaatklep. Daar ben ik toen al mee begonnen. Ik rookte van alles en veel te veel en ik dronk van alles, ook veel te veel.

Mijn levensstijl werd er alleen maar ruiger op.

Keerpunt

Een keerpunt in mijn leven was toen ik, een jaar of twintig oud, onder invloed een auto-ongeluk veroorzaakte. Ik werd wakker in het ziekenhuis, miste een dag of wat. Ik ben toen pas op de plaats gaan maken en ging nadenken wat ik in het leven wilde, want zo kon het niet langer. Ik heb hulp gezocht bij het CAD. Ik drink nog wel, maar niet meer mateloos. En roken doe ik ook.

Ik werd vrijwilliger in jongerencentrum De Kwinne, plaatjes draaien en zo. De Kwinne is mijn redding geweest. Ik heb veel aan jongerenwerker Jan Weijer gehad. Van hem kreeg ik een telefoonnummer van iemand die mij op weg hielp en wegwijs maakte zodat ik met behoud van uitkering een opleiding kon gaan doen. Uit een beroepskeuze test kwam dat de zorg bij mij zou passen. En daar onder andere, leerde ik dus praten en beter omgaan met mijn emoties.

Heidi

In de Kwinne heb ik Heidi ontmoet.

In die tijd zat ik in een metalbandje. Ik had een nummer geschreven over SM en voor de act daarbij zocht ik twee meiden. Eentje had al toegezegd. In de kroeg zag ik Heidi met een vriendin. Ik vroeg of een van hen mee wilde doen. Heidi had het niet goed verstaan, maar haar vriendin Monique zei: ‘zeg maar ja’ en dat deed Heidi.

En ze krabbelde later, toen ze het begrepen had, niet terug. We hadden een schier optreden met veel drank. Daar heb ik Heidi voor het eerst een kus gegeven. Na afloop gingen we naar Fras en werd het nog gezelliger. Heidi is van haar leven nog nooit dronken geweest, maar ik was zo doen dat we van de fiets vielen en languit in het gras belandden.

Kort daarna trok ze bij mij in in mijn flatje aan de Frieselaan.

Wij wilden trouwen. Ik had geen telefoon op de flat en mobieltjes waren er nog niet, dus vanuit de telefooncel belde ik mijn ouders. Het eerste wat mien moetje zei: Is ze zwanger? ‘Nee moe, ze is niét zwanger!’

Voor Heidi was het belangrijk om in de kerk te trouwen, zij komt uit een gelovige familie. Ik was van huis uit Nederlands Hervormd, maar had niks met geloof. Ik heb me erin verdiept en wij zijn een paar jaar trouwe kerkgangers geweest. Toen Anneke, een vrouw uit de gebedskring, overleed aan borstkanker, ging ik twijfelen. Daarna deed ik een jaar of drie aan bijbelonderzoek. Ik wou God aan het werk zien. Na een grote worsteling kwam ik tot het besef dat God niet bestaat. Heidi gelooft nog wel. Daar hebben wij onze weg in gevonden.

Ik wou graag kinderen, zij niet. Ze vond mij niet geschikt voor kinderen. Maar toen kwam Nina, onze oudste, zo noem ik haar. Toen Heidi zag hoe ik met die kat omging, durfde ze het aan om samen met mij een kind te krijgen. Björk is dertien. Drie jaar daarna kwam Amy. Ik ben van de symboliek: Björk betekent ‘kleine beer’, Amy ‘lieveling’. Ik ben stapelgek met die meiden. Ze zijn hartstikke lief, creatief en vooral zichzelf. We hebben nu trouwens vier katten …

Zorg

Ik werk in de zorg, via verschillende instellingen nu alweer drie jaar in Rolde. Dat is dankbaar werk zeggen mensen. Nou, er is niks dankbaars aan, als je midden in de shit zit en die moet opruimen, maar ik vind het mooie mensen, mijn werk geeft mij veel voldoening. Ik sta graag naast de mensen.

De onregelmatige tijden passen mij ook wel. Mijn weekend valt soms door de week, als de meeste mensen aan het werk zijn. Heb ik mooi tijd voor projectjes zoals Pop-up Galerie de Renne. Een van de participanten is Pascal Bunk, die ik nog ken van de Kwinne. Via hem raakte ik betrokken bij het schrijverscafé, een onderdeel van het project. Daardoor kwam het publiceren van de gedichten in een stroomversnelling.

Het werd ‘Poëzieboudel van Wolgen’. In het Knoalster Grunnegs. Behoorlijk autobiografisch, over mijn ruige kant, over een vriend die ik heb verloren aan een overdosis, maar ook liefdesgedichten, over Heidi en de kinderen, mijn ouders, het warme nest waar ik uit kom.

Knoalsters

Ik schrijf dus al sinds de puberteit. In het Nederlands. Een paar jaar terug heb ik een cursus Grunnegs gevolgd. Ik spreek het, maar de taalregels heb ik daar geleerd. En via Harry Töben kwam ik in contact met het Knoalsters, mien Grunnegs. Ik wil me graag uitdrukken in de taal die het dichtste bij mij staat. Kennelijk spreekt dat mensen aan, want de bundel verkoopt als een speer. Rijk word ik er niet van, maar mooi is het wel. Ik ben druk bezig met een nieuwe dichtbundel. En ik heb een roman al voor een groot deel in de steigers staan. Dat wordt Knoalster blues, over een afkickende man die leert met zijn kwaadheid om te gaan …

Wat ik voor toekomstplannen heb? Och, ik leef een beetje bij de dag, maak graag nu en dan muziek met mijn bandje Ratsmodee. Ik ben wies met mijn gezin. En met mijn vriendenclub sinds jaren. Een keer in de zoveel tijd komen we bij mekaar in een schuur, beetje dom ouwehoeren en af en toe een leuk activiteitje zoals bingo en karaoke of met de gezinnen erbij gezellig eten, soms maken we motortochtjes.

En ik zou het mooi vinden als ik als dichter erkenning kreeg…”

Uit de bundel ‘Poëzieboudel van Wolgen’ zes regels van het gedicht ‘Kwinnetied’

….

“kon moeilek leren mor dat wui verkeerd begrepen

k was opstandeg en rebels en dat bin k nog oltied

alles wol k uut leven hoalen, trok t leven uut mie

t bleef nait bie bier mor bie alles wat ik kriegen kon

desondanks bleven mien olders van mie hòlden

en van mien vraauw dij mie red het van d’òfgrond”

Rie Strikken